Inhoud
Deze pagina's biedt informatie over de nog bestaande borgen
en steenhuizen. Omdat er van de oorspronkelijke 400 nog zo weinig zijn overgebleven,
noemen wij apart ook de verdwenen borgen. Eigenlijk is de enige borg die
nog in volle glorie bestaat de Menkemaborg en ook wel de Fraeylemaborg.
Alle andere - ook de zgn. nog bestaande, zijn restanten en/of het resultaat
van een 18e eeuwse verbouwing tot landhuis. De historie, de oorspronkelijke
bewoners en de huidige functie worden beschreven, hetzij via links naar
relevante eigen pagina's hetzij op apart gemaakte pagina's. Omdat er nog
maar zo weinig echte borgen over zijn, vinden wij het zinvol om daarnaast
nog te noemen een aantal zgn. veenborgen en ook enkele landgoederen, buitenplaatsen
en zelfs een enkele groninger hereboerderij als historie en huidige bewoning
of functie voldoende allure heeft. Wij hebben geprobeerd zo volledig mogelijke
informatie te bieden, maar aanvullende informatie is natuurlijk altijd welkom!
Het menu aan de linkerzijde is er in
twee vormen: op alfabet en op plaatsnaam.
Borgen in Groningen
In tegenstelling tot in de rest van Nederland, is in Groningen het oude
woord "burg" of "burcht" in ere gehouden, waardoor
kastelen in het noorden van Nederland twee kenmerkende benamingen hebben:
in Friesland "stinzen" en in Groningen "borgen". Toch
is de benaming "borg" aan enige devaluatie onderhevig geweest,
doordat ook niet middeleeuwse kastelen, maar ook bepaalde huizen uit latere
eeuwen de benaming "borg" namen of kregen. Zo zijn er in de
17e eeuw buitenhuizen van verveners geweest die men "borgen"of
"veenborgen" ging noemen. Later gingen zelfs gewone maar rijke
boeren en burgers hun huis borg noemen en sinds 1980 ongeveer is het een
geliefde benaming voor flatgebouwen en bejaardenhuizen.
Steenhuizen
Tot de dertiende eeuw waren, bij gebrek aan natuursteen, vrijwel alle
huizen en gebouwen van ons land opgetrokken uit hout. De brandende pijlen
van belegeraars vormden de ernstigste bedreiging van mensen, die zich
achter houten muren verschansten. Maar toen in de 13de eeuw de baksteen
door premonstratenzer monniken werd geïntroduceerd, kon men beginnen
aan de bouw van sterke, onbrandbare, stenen huizen. De bakstenen of kloostermoppen
waren duur. De bouw van een steenhuis kwam dan ook altijd voor rekening
van een rijk grondbezitter. Zo'n steenhuis dat tussen 1300 en 1400 werd
gebouwd was ca. 11 meter lang en 8 meter breed. De muren werden stevig
opgemetseld, wel een meter dik. De toegang lag op de eerste verdieping.
Het steenhuis werd niet bewoond maar bood in tijden van gevaar bescherming
aan de heer en zijn gezin en de omwonende boeren. Als de laatste vluchteling
in het steenhuis was gevlucht, werd de ladder achter hem opgehaald. Er
was een waterput, een stookplaats en een voedselvoorraad. Als het voedsel
op was, verscheen de gevaarlijkste vijand ten tonele: het spook van de
hongersnood. Hij kon de belegerden na verloop van tijd dwingen zich als
nog over te geven aan de belegeraars. Pas in de 16de eeuw, toen dikke
muren niet meer bestand bleken tegen de zware vuurwapens, verloor het
steenhuis zijn nut.
Veel Groninger borgen zijn als steenhuis begonnen. Gebouwd in de 13e
en de 14e eeuw, waren ze toen iets bijzonders.
Er zijn maar enkele steenhuizen over: het steenhuis te Bunde en het Iwema
steenhuis in Niebert. Belegeringen kwamen vaak voor in de strijd om de
macht. Koningen en keizers hadden in de het afgelegen, soms moerassige
en door veel water doorsneden Groninger land in feite minder in te brengen.
Vandaar dat iedereen zijn gang kon gaan.
Heerden
Steenhuizen stonden op de erven van hoofdelingen. Dit waren in feite boeren
die een heerd bezaten.
Een heerd was een rijke (want van steen gebouwde) boerderij, die zich
qua vorm ontwikkeld had uit een soort "hallehuis", waarin vee
en mensen nog in een ruimte ondergebracht waren tot zgn. langhuizen.
Sommigen van die boeren kregen een positie van hoofdelingen, een naam
die aangeeft, dat zij in een bepaald gebied de verantwoordelijkheid hadden
voor het leiden van de verdediging tegen gewapende overvallers en vaak
ook rechten hadde t.a.v. rechtspraak en andere rechten die horen bij heerlijkheden:
benoemingen in de kerk, collatierecht (heffen van belasting), jachtrecht,
recht van zwanendrift en duivenvlucht e.d.
Van steenhuis tot borg
Het steenhuis werd soms uitgebreid met traptoren om de verdiepingen te
kunnen bereiken. Woonvleugels werden bijgebouwd en een gevelsteen met
wapenschild aangebracht, zodat het de allure kreeg van een adellijk onderkomen.
Bij de drie Groninger borgen Fraeylemborg, Menkemaborg en Verhildersum
is het oorspronkelijke steenhuis nog terug te vinden. In de keuken van
de Fraeylemaborg zijn zelfs nog drie schietnissen te zien. De bijbehorende
boerderij bleef bestaan en bij de borg werden voorgebouwen gebouwd om
de opbrengsten van het collatierecht te bewaren (het schathuis), voor
paardenstallen en koetshuis en voor personeel.
Hoofdelingenfamilies breidden soms hun steenhuizen uit en gingen er in
wonen. .Later werden er bijgebouwen en vleugels aangebouwd. Doordat de
familie niet meer zelf een boerenbedrijf hadden, waren deze gebouwen de
schathuizen, waarin de "schatting"bewaard kon worden, stallen
en dienstwoningen voor personeel..
Van de ongeveer110 steenhuizen en borgen die in 1650 in de provincie Groningen
gestaan hebben, zijn er nog maar een paar over en een deel daarvan is
eerder een restant te noemen dan een borg. Zij hebben allemaal een bestemming
gekregen, die weinig meer te maken heeft met het beheren van een landgoed
of heerlijkheid.
Aristocratie
Van echte adel is echter meestal geen sprake. De benaming "hoofdeling"
was niet erfelijk en men was evenmin door een vorst tot ridder geslagen
of in de adelstand verheven. Ook al waren soms door vorsten officiële
heerlijkheidsrechten verleend, dan betekent dat nog niet, dat men in de
adelstand verheven was. Men had in Groningen rond 1450 een eigen soort
titel bedacht, die van "jonker". In Oost-Friesland is het de
graaf Ulrick Cirksena die de Addinga's van Westerwolde tot de adelstandverhieven,
waardoor dezen zich in 1473 jonkers noemden. Pas vanaf 1515 zijn er enkele
families echtgeridderd: Rengers, Lewe, Alma en later via rechten in Oost-Friesland
ook Ripperda. De invloed van de stad Groningen op haar ommelanden doet
zich gelden. Vanaf 1600 werd het voor patriciers uit vooral de stad Groningen
mogelijk om zich de titel jonker aan te meten indien men een borg had
gekocht. Smalend werd gesproken van "stadsadel", maar er kwam
al met al een onderling afgesproken duidelijkheid over wie zich jonker
mocht noemen en nog voor 1700 werden in Groningen de stand van jonkers
gesloten.
Toch was de machtspositie ten opzichte van eigenerfde boeren zeer beperkt.
Dit feit vormt ook de achtergrond van de verhoudingen op het platteland
in de 19e en 20e eeuw. Het boek "De Graanrepubliek" van Frank
Westerman maakt duidelijk hoe de Groninger boeren zich heren konden wanen.
|